Simulacrum

Tijdschrift voor kunst en cultuur

Archief: Nooit meer

Adriana Vergeer

In de aanloop naar onze 25ste jaargang herpubliceren we de komende tijd hoogtepunten uit ons archief: artikelen die onverminderd actueel zijn, parels die ons historisch besef juist verder aanscherpen, of om andere redenen de moeite van het herlezen meer dan waard zijn. Dit keer een stuk van Adriana Vergeer, die in de begintijd Simulacrums vaste columnist was.

Verschenen in Simulacrum jrg. 1  #2 (1992)

Als een ‘kus des doods’ had de redactie van Simulacrum haar nieuwe lezers een geschenk beloofd. En als een ‘offer you can’t refuse’, zoals de uiteindelijke kogel in hetzelfde maffia-jargon heet, trof het boekje me tussen de ogen. Nooit meer lezen, nooit meer een museum in, nooit meer cultuur, alleen nog maar slapen, dat was wat ik wilde.

Het boekje heet Generators of Culture [ondertitel: the museum as a stage, red.] en het stamt al uit 1989. Daarmee was het een van de eerste in een lange reeks publicaties waarin tentoonstellingsmakers, kunsthistorici en museummannen hun lampje op hun eigen werkzaamheden meenden te moeten richten. Weliswaar had eind jaren zestig de artistieke tentoonstellingsmaker al de fakkel van de kunstenaar overgenomen om de diepere waarde van het kunstwerk beter uit te dragen, maar toen was het leed nog enigszins te overzien. Het betrof een betrekkelijk kleine grep die er soms in slaagde iets spannends voor te schotelen en die daarbij nieuwe perspectieven opende op een min of meer vastgelopen kunst. Erger werd het toen dit verschijnsel steeds meer aandacht van de media keeg, vervolgens tot een trend en tenslotte natuurlijk tot een probleem werd. Vanaf dat moment was de stroom niet meer te dammen. Elke museummedewerker die tot dan toe in volle berusting over zijn eigen onnozelheid tevreden de plumeau gehanteerd had, ontwaarde in zijn binnenste een creative vonk. Een motor van de cultuur moest hij worden, drempels verlagen, de zwijgende kunstwerken tot spreken brengen, handvatten bieden om een stukje begrip voor ook de meest ondoorgrondelijke kunst te kunnen grijpen. De concepten kwamen over ons en zij lieten nooit meer af.

Tegelijkertijd bracht dit fenomeen zijn eigen bestudering op gang. Zo worden we de laatste jaren steeds maar blij verrast met nieuwe publicaties over het tentoonstellen, het museum, de museummaker en het museummaaksel. In historische zin leveren deze geschriften het nodige op. Het is tentslotte prettig om te weten waarom men in vergane tijden op vanzelfsprekende wijze alles zo vreemd uitstalde. Het grootste deel van deze publicaties handelt echter over het heden en iedereen komt daarin vooral aan het woord. Door de belangstelling voor het museum en de tentoonstelling was elke galeriehulp zichzelf reuze interessant gaan vinden. Hij bleek iemand te zijn en hij ontdekte bij zichzelf een mening. Al die meninkjes moesten in boeken en al die boeken moesten in het Engels, want men is internationaal. En al dit gezeur en geneuzel leverde vooral veel slechte teksten en nog meer slechte tentoonstellingen op. Voortdurend op weg van het ene artikel naar het volgende interview, van het ene forum naar de volgende lezing vergat men zo nu en dan een paar kunstwerkjes niet al te miserabel op te hangen.

Niet zo lang geleden was een aantal totaal van fantasie gespeende leden van het KHI [Kunsthistorisch Instituut, red.] zeer laat op de voorgekauwde gedachte gekomen een lezingencyclus over de enscenering van de kunst op de planken te brengen. Postmodern totaaltheater geheel in het Fries gebracht door het amateurgezelschap van Winsum (Fr.) was een glasheldere voorstelling vergeleken bij het gênante gestamel dat onze captains of culture wisten op te voeren. Uit hun woorden viel maar één ding op te maken: verkoop is het doel en colportage is de methode.

Het goedbedoelde geschenk van de redactie raakt me zo hard omdat het met terugwerkende kracht toont hoe we de laatste jaren geteisterd zijn door mediapulp over het schijnprobleem van het tentoonstellen. Generators of Culture. Worden daarmee de musea bedoeld of heeft men de fiere lijst dikbetaalde wauwelaars op de omslag op het oog gehad? Het maakt niet uit. Musea en tentoonstellingen generen geen cultuur, ze zijn slechts de lauwe waterspiegel waarin de cultuur haar tandeloze en afgeleefde kop bewondert. En die hakkeplofjes die in het boek aan het woord komen kunnen niets op gang brengen omdat zij zelf de schamele restprodukten vormen van een dolgedraaide mediagenerator. Brabbelend in het Engels houden zij alleen zichzelf draaiende.

Het is nu echt genoeg. Laten we afspreken dat we het niet meer over tentoonstellingsconcepten hebben, geen woord meer over Haks, of Fuchs of Beeren. Nooit meer een letter vuilmaken aan modern museumbeleid, geen seconde aandacht besteden aan de hedendaagse blikvervuilers. Ik wil er geen woord meer over horen. Ook niet in Simulacrum. Nooit meer.