Simulacrum

Tijdschrift voor kunst en cultuur

Call for papers: De Muur

Redactie

Vijf jaar lang bivakkeerde Brian Haw op het Parliament Square in Londen. Het enkele protestbord dat in eerste instantie zijn kampeerplaats markeerde, groeide met de jaren uit tot een veertig meter lange schutting van spandoeken, knuffelbeertjes, foto’s en vlaggen. Deze ‘muur van protest’ was een publieke aanklacht tegen de oorlogen in Irak en Afghanistan en een duidelijke middelvinger naar de Britse overheid – dezelfde overheid die Haws muur in 2006 door een troepenmacht van de straat liet vegen.

Helemaal verloren ging de protestmuur echter niet. In 2007 reconstrueerde de Britse kunstenaar Mark Wallinger het geheel tot in detail in de Duveen Gallery van Tate Britain. State Britain, zoals hij de installatie noemde, leverde hem datzelfde jaar de Turner Prize op. Tentoongesteld binnen de context van het museum kreeg deze muur een nieuwe, reflectieve betekenis, die in het tumult van het alledaagse leven niet tot stand had kunnen komen. Tegelijkertijd verloor de protestmuur zichtbaar aan directe politieke relevantie: van het daadwerkelijke protest beklijfde alleen een zwakke echo. Op deze manier bevroeg Wallinger de werking van institutionele muren, niet alleen als fysieke begrenzing, maar ook als betekenisgever door zijn impliciete machtsuitoefening. Het is een mechanisme dat vergelijkbaar is met de institutionalisering van het werk van street-artkunstenaars als Banksy en Keith Haring. Het werk van laatstgenoemde is al lang niet meer in de New Yorkse metrostations te zien, en zijn politieke boodschap is inmiddels sterk verdund als gevolg van de kritiekloze omarming door meubelmerken en reproducties op koffiemokken.

Ondanks zijn machtige en begrenzende functie is de muur niet altijd een ondoorzichtig, solide bouwsel. Deuren en ramen, bijvoorbeeld, markeren voor het huis de scheidslijn tussen het publieke domein en de private ruimte. De grens tussen interieur en exterieur wordt nog diffuser wanneer compleet glazen muren gebruikt worden, zoals Laszlo Moholy-Nagy bespreekt in zijn boek The New Vision (1938): “Fenestrations,” schrijft hij, “produced the inward and outward reflections of the windows. It is no longer possible to keep apart the inside and outside. The mass of the wall, at which all the ‘outside’ previously stopped, is now dissolved and lets the surroundings flow into the building.” De doorzichtige Sandbergvleugel, die tot aan de sloop in 2006 aan het Stedelijk verbonden was, gold lange tijd als symbool voor een transparant en democratisch museumbeleid. Hoewel de vleugel een icoon werd in de museumwereld, werd het tentoonstellingstechnisch nooit een groot succes.

Natuurlijk vormt de muur niet alleen de buitengrens van het museale instituut maar is het bovendien de ruimte bij uitstek waar het kunstwerk gepresenteerd wordt. De toepassing daarvan is in de loop der eeuwen sterk veranderd. Lange tijd werd ook direct op de muur gewerkt: door de Romeinen, de middeleeuwse mozaïekers, schilders uit de vroege renaissance en de latere muralisten. Mettertijd kwam het kunstwerk steeds vaker los van de muur. In de eerste inrichting van het Louvre in 1793 hingen schilderijen van Franse, Italiaanse en Hollandse meesters door, boven, nog net niet over elkaar. De white cube-tentoonstellingspraktijk die we sinds de jaren zestig kennen staat daar diametraal tegenover. De institutionele muur, kortom, is een drager in driedubbele zin: niet alleen van het dak, maar ook van het kunstwerk en van een geheel eigen semantiek, die zich uitermate flexibel toont – hoe massief hij op het eerste gezicht ook mag lijken.

De werking van institutionele muren binnen de kunstwereld wordt futiel wanneer we onze focus verleggen naar een mondiaal niveau waarop landsgrenzen worden betwist – demarcatielijnen die niet zelden met een muur worden aangeduid. In Europa vraagt men zich af hoe de cultuur van het continent zich zal ontwikkelen als de EU zich binnenkort uitstrekt tot Turkije en we Engeland misschien vaarwel hebben gezegd. Een pluriforme samenleving kan tot spanningen leiden en nationalisme in de hand werken – een ontwikkeling die in toenemende mate zichtbaar wordt. Is het denkbaar dat er net zoals op de Israëlische Westoeverbarrière weer muren gebouwd zullen worden om de ander te weren, en is kunst in staat dergelijke ontwikkelingen tegen te werken en deze grenzen te overschrijden of blijft zij ingekaderd binnen haar eigen kunstwereld?

Misschien bestaat er juist wel behoefte aan grenzen en kaders, als antwoord op een tijd waarin anything goes. En misschien zijn het bij uitstek kunstenaars die deze behoefte kunnen vormgeven. Voor het aankomende nummer van Simulacrum vragen we auteurs hoe onder meer kunstenaars, musea en overheden gebruik maken van of verzet plegen tegen ‘De Muur’.

Discussieer mee en schrijf voor Simulacrum een artikel van 1.000, 1.400 of 1.800 woorden. Stuur ons op korte termijn een opzet toe; de deadline voor het volledige artikel is 18 september. Schrijf je liever een column (750 woorden), een interview (1.000 woorden) of ken je een kunstenaar die in ons portfolio past? Mail naar info@simulacrum.nl.