Simulacrum

Tijdschrift voor kunst en cultuur

Wijsgerig Festival DRIFT: In staat tot natuur

Collectief Drift

9 april  a.s. vindt Wijsgerig Festival DRIFT in Felix Meritis plaats. Een festival dat hoogstaande academische filosofie toegankelijk maakt door gerenommeerde sprekers naast jong aanstormend talent te plaatsen, en door specialistische lezingen te combineren met losgaan op de dansvloer. Dat alles in het teken van het thema van dit jaar: de natuur. 

Tevens brengt het festival een veelheid aan kunsten samen: het programmeert proza, poëzie, muziek en theater. Simulacrum verzorgt in samenwerking met Collectief DRIFT de beeldende kunsten en toont werk van REM atelier, Boyd de Jong en Doris Hardeman. Ook komen op uitnodiging van Simulacrum Hoogleraar Middeleeuwse Kunst Hugo van der Velden en filosoof Antonius de Munck spreken. 

Voor meer informatie zie de website van Festival DRIFT en Facebook. 

 

In staat tot natuur

Thematekst door Collectief DRIFT

“…Of is het misschien beter om het idee van een natuurlijke hiërarchie meteen te laten varen?” Adam kijkt op en fronst, hij lijkt verbaasd te zijn van zijn eigen gedachte. Ergens is hij nog steeds een romanticus, zo beseft hij. Hij streeft naar een eenwording tussen zichzelf en de natuur, naar het herstel van een vervreemding die hij zelf ooit in gang zette. “O zoete Natuur, magnum mysterium! Hoe heb ik u ooit kunnen verlaten?” Maar zou hij ook oprecht kunnen beweren dat hij gelijk is aan al die dingen om hem heen: de stenen, de bomen, de mossen, de zwerfhonden? En bovendien: alleen hij kan zich deze vraag überhaupt stellen, dus is dat niet meteen al een bewijs van zijn eigen superioriteit?

Adam kijkt wat vragend naar de kat aan zijn voeten. Vooralsnog blijft Murus hem een antwoord verschuldigd. “Wat heb ik nou aan jou?” Tot nu toe was de dag eigenlijk goed verlopen. Hij heeft zijn lezing voor het Drift festival, over broccoli en posthumanisme, tot in de puntjes voorbereid. Nu tijdens de generale repetitie dreigt zijn hele lezing plots in duigen te vallen. In de spiegel kijkend herhaalt hij de laatste zin van zijn voordracht: “The transversal movement of primitive broccoli cultures could well become a symbol of the struggle for freedom in the emerging context of the Other as nomadic ek-sistence.” Zijn spiegelbeeld komt hem nogal vreemd en onovertuigend voor. Het schaamt zich. Waarom moet alles toch zo verdomd moeilijk zijn?

De gedachtes blijven aan hem knagen, hij hervat zijn poging. “Ik kan mezelf deze vragen stellen, maar dat kan ik niet in mijn eentje. In feite ben ik slechts een buikspreekpop van de menselijke geschiedenis. Zoals ook een kikker alleen maar kwaakt zoals hij gebekt is. Het is hoe dan ook geen reden om mezelf boven de natuur te stellen.” Wanhopig op zoek naar inspiratie loopt Adam naar zijn boekenkast en raadpleegt hij zijn dieren-encyclopedie: eerst bezoekt hij de Amphibiae, daarna de mensapen (Hominoidea). Homo sapiens wordt niet eens vermeld in het register. “O ja, het zal weer eens niet…” Tevergeefs blijft hij zijn geestelijke worstelingen uitstorten over zijn kat. Hij neemt hem op schoot en streelt hem: “Weet je Murus, de mens geeft zich al te gemakkelijk het bewijs van zijn eigen superioriteit.

Ooit was hij de kroon der schepping, tegenwoordig waant hij zichzelf koning. De stenen, de planten en de dieren liggen aan zijn voeten. Boven zichzelf accepteerde hij ooit engelen en goden, maar ook zij moesten uiteindelijk te gronde gaan. Maar het is toch geen verrassing dat de mens zelf uiteindelijk het beste aangepast blijkt te zijn voor het beklimmen van zijn zelfgemaakte ladder. Wat is toch de aantrekkingskracht van dit hiërarchische spel dat de mens speelt met de natuur?”

Adam kijkt op de klok, het uur der waarheid nadert gestaag. Hij doet zijn nette pak aan, inclusief zwarte lakschoenen. Terwijl hij zijn das strikt, hervat hij zijn dialoog. “Maar wat zo moeilijk is om in te zien, is dat een ware koning geen onderdanen heeft. Hij is niet nederig en niet verheven. Hij daalt niet af en hij stijgt ook niet. Hij is ding noch dier, man noch vrouw. Hij heeft geen land, behalve de wereld zelf. Hij begrijpt wat de mensen vandaag nog niet begrijpen. Dat de lat waarlangs zij de natuur leggen hun eigen praktisch ontwerp is geweest. Met truc en kunstgreep omstrikken en slepen de mensen beesten, vruchten, metalen, ja zelfs naaste volkeren in hun eigen domein. En dit doen ze eerst en vooral zonder de locatie van dit domein te bevragen. Waar ligt nu precies dit mensenrijk, dat zogenaamd afgebakend is van de natuur? Ieder mens, een enkele kwast uitgezonderd, kan zijn eigen stad, land, of huis aanwijzen op de kaart. Maar wie kan mij zeggen hoe deze gebieden zich verhouden tot datgene waaraan ze zich schijnen te onttrekken: de natuur? Zijn ze haar onderdeel, binnenin de natuur, of sluiten ze haar juist in, als een eigenaar? Wie behoort tot wat? Of wat tot wie?”

Terwijl Adam verstrooid nog wat kleine dingen opruimt, ziet hij dat zijn kat pontificaal op zijn lezing is gaan zitten. Op het titelblad prijkt inmiddels een extravagante haarbal. Murus kijkt hem spottend Alsof hij het onderwerp eigenlijk beter begrijpt, en Adam hem het geheim nooit zal kunnen ontfutselen. Geïrriteerd door deze gedachte duwt hij de kat van zijn bureau en daalt mopperend de trap af. Maar eenmaal buiten wordt hij geconfronteerd met een nieuw vraagstuk, dat ditmaal zijn volledige aandacht opeist. Aan de overkant van de weg ziet hij Murus, uitgerust met een paar stelten als hulpstukken, wegrijden op zijn eigen Batavus. Tussen zijn tanden houdt de kat het besmeurde manuscript stevig vastgeklemd. “Hoe kan die kat nou eerder beneden zijn gekomen dan ik?” Na lang wikken en wegen geeft Adam zich gewonnen. Hij voelt een lichte hoofdpijn opkomen. Hij sleept zichzelf de trap op, om eenmaal boven tegen een dichte deur aan te stoten: uiteraard heeft Murus ook de huissleutel meegenomen. Er rest hem geen andere keuze dan toch maar naar het festival te gaan..