Simulacrum

Tijdschrift voor kunst en cultuur

Souvenirs op papier

Antoon Erftemeijer

Van 28 mei t/m 11 september 2016 zijn tal van schetsboeken en reisschetsen te zien op de tentoonstelling ‘Reizen als inspiratiebron voor Nederlandse kunstenaars sinds 1850’ in De Hallen Haarlem.

Toen Pieter Brueghel de Oude (ca. 1525/30-1569) via de Alpen naar Italië reisde, heeft hij (volgens zijn vroege biograaf Karel van Mander) ‘veel ghesichten nae t’ leven gheconterfeyt, soo datter gheseyt wort, dat hy in d’ Alpes wesende, al die berghen en rotsen had in gheswolghen, en t’huys ghecomen op doecken en penneelen uytghespogen hadde’.[1] Diverse pentekeningen van berglandschappen herinneren nog aan die verre reis.

Ook Brueghels landgenoot Peter Paul Rubens (1577-1640) reisde naar Italië, om er, zoals veel kunstenaars toen, studie te maken van de klassieke cultuur en eigentijdse Italiaanse schilderkunst. Volgens zijn biograaf Arnold Houbraken zou hij evenwel niet met een omvangrijke stapel tekeningen en schetsen thuis zijn gekomen. Rubens moet dit hebben verdedigd door op te merken ‘dat die [schetsen] in ’t Kabinet van zyn geheugen waren opgesloten’.[2] Samuel van Hoogstraeten vermeldt zelfs dat Rubens in Rome een wedstrijd was aangegaan met een medekunstenaar die ter plekke veelvuldig studies maakte en zich had bevreemd over het feit dat Rubens in hoofdzaak rondwandelde, keek en stilzat. Rubens had toen opgemerkt: ‘Ik ben aldermeest beezich, als gy my leedigh ziet.’ Vervolgens daagde hij zijn collega uit om uit het hoofd iets te tekenen dat Rubens enkel had bekeken en dat de ander had nagetekend. Rubens won deze weddenschap.[3] Deze twee overleveringen mogen een historische kern hebben, feit is dat er toch wel degelijk aardig wat Italiaanse studies van Rubens bewaard zijn gebleven: materiaal voor het ‘beeldarchief’ in het atelier thuis.

Gereedschap
De overleveringen over Brueghel en Rubens, alsmede hun bewaard gebleven studies, maken duidelijk wat de gemiddelde kunstenaar-op-reis fundamenteel onderscheidt van de gemiddelde ‘gewone’ reiziger of toerist. Een toerist toert rond, kijkt en geniet, is at leisure. De gemiddelde kunstenaar-op-reis werkt echter ook, bewust, half bewust of onbewust (Rubens leek ‘leedigh’ maar was wel degelijk ‘beezich’). Een onmisbaar gereedschap bij dat werken is vanouds het schetsboek – in het verleden onder meer ook ‘teekenboek’ of ‘zakboek’ genoemd. Bij mijn weten moet de geschiedenis van zulke schetsboeken nog geschreven worden, en dat zal dan ongetwijfeld een interessante geschiedenis zijn. Dit artikel wil er een kleine aanzet toe geven. Ik bedoel hier met schetsboek dus niet het boek dat dient als hulp bij het maken van ontwerpen of bij het noteren van fantasieën en invallen, maar op het boek dat mee op reis is geweest om daarin indrukken van of reflecties op de geziene werkelijkheid te schetsen, te tekenen dan wel te schilderen – al dan niet in combinatie met wat aantekeningen over het voorgestelde. Gemengde schetsboeken, met notities naar de realiteit én ontwerpen en invallen, bestaan natuurlijk ook.

Dat het ‘en route’ schetsen in ieder geval bij Nederlandse kunstenaars al in de 16de eeuw in zwang was geraakt, blijkt uit bewaard gebleven tekeningen van de genoemde Pieter Brueghel, van Maerten van Heemskerck (die in Rome tekende), Hendrik Goltzius (die rond 1600 in de landelijke omgeving van Haarlem pentekeningetjes maakte) en vele anderen. Uit onderzoek van onder anderen Ernst van de Wetering is gebleken dat bij het maken van schetsen in de 16de en 17de eeuw onder meer van ‘tafeletten’ gebruik werd gemaakt: geprepareerde, al dan niet gebundelde velletjes perkament (of papier, of plankjes) waarop men uitwisbare tekeningen kon maken. Daarvan is nauwelijks iets over. Gelukkig is er wel heel wat ‘definitief’ schetsmateriaal op papier en (soms) in boekjes bewaard gebleven (al is het meeste schetswerk-op-papier ongetwijfeld in de loop der tijd weggegooid als ‘artistiek onvolwaardig’ materiaal). Zeker kunstschilders die zich met landschappen en stadsgezichten bezighielden, en voor hun binnen te schilderen olieverfwerken buiten gemaakte schetsen nodig hadden, liepen met hun boekjes in het veld en door steden om te documenteren wat ze zagen. Arnold Houbraken schreef in zijn De groote schouburgh der Nederlandse konstschilders en schilderessen (1718-1721) over Paulus Potter (1625-1654) – en hij had deze informatie van Potters weduwe – dat de schilder ‘nooit ledig’ was. Wanneer de man eens een uurtje voor zijn vrouw over had om een wandeling te maken, droeg hij toch altijd nog een zakboekje met zich mee, om ‘als hy iets zag dat geestig was, en in zyn kraam konde dienen, straks dat voorwerp af te schetzen’.[4]

Bewaard
Van diverse 17de-eeuwse Hollandse meesters zijn nog complete schetsboekjes bewaard – Jan van Goyen, Gerard Terborgh de Jonge – maar veel is er niet meer. Schetsboeken zullen vaak zijn weggegooid (‘het zijn maar schetsjes’), en daarnaast zijn schetsboeken, ook die uit later eeuwen, in veel gevallen uit elkaar gehaald om de interessantste tekeningen los te kunnen verhandelen. Dit valt met name af te leiden uit de aanwezigheid van een scheur- of snijrand aan zulke vellen papier. Kunstenaars zelf scheurden of sneden ook tekeningen uit hun schetsboeken: we weten, uit geschilderde ateliervoorstellingen maar ook uit andere overleveringen, dat schetsen en tekeningen vaak op schildersezels werden vastgeprikt (of rond de ezels lagen) om als voorbeeld en uitgangspunt te dienen bij het schilderen (een gebruik dat overigens nog steeds bestaat). Een nogal curieus geval van een bewaard gebleven schetsboek is een boekje uit 1628 dat de Groningse kunstenaar Jan van der Koot in 2005 van iemand cadeau kreeg. Het bleek nog geheel ongebruikt. De kunstenaar besloot – na overleg met het Rijksprentenkabinet – om dit unieke ‘konstboeck’ zelf te voorzien van tekeningetjes van landschappen en mens- en dierfiguren.

Uit de 19de eeuw zijn nog wel opvallend veel schetsboeken bewaard gebleven, zowel van romantische als van impressionistische kunstenaars. Alleen al van de Engelse schilder William Turner (1775-1851) zijn er zo’n 300 overgeleverd. Het schetsboek verdween in de late 19de en de 20ste eeuw zeker niet, maar werd vanzelfsprekend wel hevig beconcurreerd door het fototoestel. We weten dat 19de-eeuwers als George Hendrik Breitner en Isaac Israels al gebruik maakten van dit apparaat om onderwerpen vast te leggen om uitgangsmateriaal te hebben voor schilderijen. Later hebben talloze anderen dit eveneens gedaan. Marlene Dumas is er een bekend recent voorbeeld van. Snapshots zijn ook een vorm van schetsen, en zeker met technologische nieuwigheden als smartphones op zak kan van een reis gemakkelijk een voorraad van honderden of zelfs duizenden visuele herinneringen aan bezochte landschappen en steden naar huis worden meegenomen: gefotografeerd, gefilmd of (met een tekenprogramma) digitaal getekend. Maar deze ontwikkelingen hebben het vanouds gebruikelijke schetsboek, waarin men met het eigen handschrift en met potlood, krijt, inkt of verf impressies noteert, dan wel eigen interpretaties van het geziene, niet doen verdwijnen. Nog steeds kan men, hoewel aanzienlijk minder dan honderd jaar geleden, beroepskunstenaars in landschappen en steden aantreffen met een doodgewoon schetsboek op schoot. En dat zijn beslist niet enkel traditioneel-realistisch werkende kunstenaars zonder veel fantasie. Een hedendaagse coryfee als David Hockney schetst volop, en publiceerde zelfs hele reeksen schetsboekjes van zijn hand op een dvd.

Amateurs
Overigens heeft het schetsboek ook altijd een zekere populariteit genoten buiten de kringen van professionele kunstenaars. Om te beginnen bij meer of minder studieus ingestelde toeristen met een amateurtekentalent, die van hun reizen verslag wilden doen of voor hun genoegen en ter herinnering af en toe ergens een schetsje maakten. Bij particulieren moeten nog talloze van zulke ‘getekende reisverslagen’ berusten. Ook deze categorie van het schetsboek verdient nadere studie. Zulke schetsboeken – maar dit kan ook gelden voor schetsboeken van professionals – zijn niet zelden een mengvorm van getekende souvenirs en geschreven reisaantekeningen. De gewoonte van niet-kunstenaars om te reizen met een schetsboek op zak is lang een gebruik geweest bij reizigers uit voornamelijk meer ontwikkelde en sociaal ‘hogere’ milieus – zoals het maken van (verre) reizen sowieso lang een bezigheid en voorrecht is geweest voor de meer ontwikkelde en draagkrachtige bevolkingslagen (men denke aan de befaamde ‘Grand Tours’). Aardige – Nederlandse – voorbeelden van zulke tekenende reizigers uit de 19de en vroege 20ste eeuw zijn de schrijver Carel Vosmaer en de musicus Geert von Brucken Fock, die als amateurs veelvuldig schetsen maakten. Een buitenlands voorbeeld is de schrijver annex natuuronderzoeker en bestuurder Johann Wolfgang Goethe, van wie zo’n 3000 landschapsschetsjes bewaard zijn gebleven – en die ooit moet hebben opgemerkt: ‘Ik vrees dat ik het in Abrahams schoot zelfs niet buiten potlood en penseel zal kunnen stellen.’[5] Nadere studie verdienen overigens zeker ook schetsboeken van reizende architecten, die vaak prima tekenaars zijn. Een mooi voorbeeld is het schetswerk dat Hendrik Berlage maakte in Italië en Nederlands-Indië. Men denke tot slot ook aan de schetsen van biologen en andere natuurvorsers op (ontdekkings)reis.

Terugkerend naar het kunstenaarsschetsboek: een van de interessantste aspecten daarvan is, dat de daarin gemaakte tekeningen veelal levendig en spontaan zijn, en in beginsel gemaakt zonder bekommernis om wat anderen ervan zouden kunnen denken. Men betrapt de tekenaar op privé-observaties, op schetsen en aquarellen die hij voor het eigen plezier en voor de eigen studie heeft gemaakt. Het is gewoonlijk ‘kunst voor eigen gebruik’, waarbij allerlei kunstregels met betrekking tot compositie, uitwerking en andere aspecten veelal links zijn blijven liggen. Los daarvan, waren (en zijn) schetsboeken en schetsen overigens niet zelden interessant voor andere kunstenaars die ter inspiratie graag eens ‘in de keuken’ van een collega willen kijken. Zo is van William Turner bekend – dankzij een aantekening van zijn tijdgenoot en biograaf W. Thornbury – dat deze ooit bijzonder geboeid raakte door een serie olieverfschetsen van landschapschilder Thomas Gainsborough, die hij van een verzamelaar te leen had gekregen. Hij ging ze een avond lang – met behulp van kaarslicht – zitten bestuderen, en wel dermate grondig dat hij de volgende ochtend klaagde dat hij zijn ogen had geblesseerd.[6]

Exposeren
Wie in prenten- en tekeningencollecties van de grotere musea grasduint, zal daar omvangrijke partijen schetsboeken aantreffen. Alleen al in de Nederlandse musea liggen er vele honderden – vrijwel nooit in vitrines op zaal, maar veilig opgeborgen in ladekasten in depots. Zelden komen ze boven water, en dat terwijl ze gewoonlijk heel persoonlijke getuigenissen zijn van een kunstenaarsleven. Het eigen handschrift van een kunstenaar is vaak bij uitstek in het schetsboek te vinden. Tevens zijn er niet zelden aantekeningen in aan te treffen die iets vertellen over de betreffende kunstenaar: een adres, adresgegevens van relaties waar mogelijk bezoeken zijn afgelegd, aantekeningen over het vervoer en reistijden, adresjes van kunstmaterialenwinkels, data, kortom: informatie die belangrijk kan zijn voor kunsthistorisch en biografisch onderzoek.

Voor wie er gevoelig voor is, is het doorbladeren van reisschetsboeken gewoonlijk een feest vol verrassingen. Het exposeren ervan is altijd lastig omdat men hooguit twee tegenover elkaar liggende pagina’s van zo’n boekje kan tonen – tenzij het betreffende werkje uit elkaar ligt, of voor de expositie tijdelijk uit elkaar genomen kan worden. Van meer recente datum zijn presentaties waarbij bezoekers in gedigitaliseerde dagboeken kunnen ‘bladeren’, wat echter toch iets heel anders blijft dan oog in oog met de originele schetsen staan. Onderwijl doen musea er goed aan om meer van dit vrijwel altijd verborgen materiaal te tonen. Niet enkel om anderen deelgenoot te maken van deze boeiende visuele reisherinneringen, maar ook om vakmensen én amateurs (toeristen!) te inspireren om zich bij het maken van een reis te wapenen met zo’n eigen, persoonlijk ‘zakboekje’. Want wat is er mooier dan zo’n uniek, zelfgemaakt souvenir? 


[1Van Mander, Karel. Schilder-boeck. Haarlem: Paschier van Wesbusch (1604), fol. 233 r.

[2] Houbraken, Arnold. De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. Amsterdam (1718-1721), deel I, p. 51.

[3Van Hoogstraeten, Samuel. Inleyding tot de Hooge Schoole der schilderkonst: anders de zichtbaere werelt. Rotterdam (1678) , deel V, p. 194.

[4Houbraken, Arnold. De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. Amsterdam (1718-1721), deel II, pp. 99-102.

[5Pirchan, Emil. Het kunstenaarsgetijdenboek. Amsterdam: Strengholt (1940) [Wenen 1939], p. 12.

[6Thombury, Walter. The life of J.M.W. Turner. Trowbridge/Londen: Ward Lock Reprints (1970) (herdruk van de 2de gewijzigde editie uit 1877), p. 125.