Simulacrum

Tijdschrift voor kunst en cultuur

Call for Papers: Het Dier (Jrg. 26, nr. 2)

Redactie

Het zesdelige videowerk Come-Go-Stay (2015) van Emily Kocken toont de kunstenares in verschillende poses met een poedel op het strand. Door lichaamsbewegingen te spiegelen en een gelijkend uiterlijk aan te nemen ‒ de haarcoupes komen treffend overeen – worden mens en dier een interessant koppel waarbij de scheiding tussen de twee entiteiten lijkt te verdwijnen. Het werk sluit hiermee aan op recente ontwikkelingen in de hedendaagse kunst die ervoor hebben gezorgd dat er grote belangstelling is voor het dier in relatie tot de mens.

De aandacht voor het dier is echter niet nieuw in de kunst. Zo vereeuwigde de prehistorische mens al op treffende wijze stieren in de grotten van Lascaux en schilderde Paulus Potter duizenden jaren later zijn beroemde en levensgrote stier, een hoogtepunt in de naturalistische schilderkunst. De zorgvuldigheid en genegenheid waarmee Potter het dier heeft afgebeeld, doet denken aan de foto’s van Charlotte Dumas, een hedendaagse kunstenares die het wezen van paarden en honden lijkt te willen doorgronden en zo wellicht schatplichtig is aan haar voorgangers.

Het dier heeft bovendien door de hele geschiedenis heen een belangrijke symbolische rol gespeeld: denk aan de aap als karikatuur en spiegel van de mens, of zelfs als duivel in de christelijke iconografie. Ook in de moderne kunst krijgt het dier vaak een symbolische betekenis, zoals in Joseph Beuys’ I Like America and America Likes Me uit 1974, waarin zelfs een levende coyote figureerde. De recente benaderingen van het dier in de kunst verschillen echter sterk van dergelijke historische voorgangers, binnen het culturele debat wordt zelfs gesproken over een ware ‘animal turn’. Wat houdt deze trend in en waarom juist nu deze fascinatie?

De ‘animal turn’ werd onder andere ingeleid door de Franse filosoof Jacques Derrida, die in 2002 zijn beroemde essay The Animal That Therefore I Am (More to Follow) publiceerde. In dit essay bekritiseert Derrida de dichotomie tussen object en subject, een scheiding die volgens hem de basis heeft gevormd voor het Westerse denken. De Westerse denkwijze is volgens Derrida gestoeld op het gedachtegoed van de Verlichting: de mens is een wezen met ‘menselijke’ eigenschappen, zoals rationaliteit, zelfreflectie en taalbeheersing. De focus op het definiëren van de mens betekende tegelijkertijd dat het dier enkel wordt gereduceerd tot de ‘ander’, tot dat wat de mens niet is. Deze scheiding leidt tot de uitsluiting van het dier uit het menselijk rijk, waardoor het gelegitimeerd is het dier enkel als object te benaderen en te behandelen.

Niet alleen heeft de mens-dier scheiding dus geleid tot onethische inzet van dieren, ook gaat dit gedachtegoed volgens Derrida voorbij aan essentiële overeenkomsten tussen mens en dier, zoals lichamelijkheid en sterfelijkheid. De recente aandacht voor het dier in de kunst en het culturele debat gaat dan ook samen met een kritische blik op het Westerse denken. De destructieve gevolgen van het menselijk handelen vanuit een antropocentrisch wereldbeeld worden steeds duidelijker en zorgelijker. Wat betekent het dan nog om in deze destructieve wereld mens te zijn, en wat kan onze relatie tot het dier hierover vertellen? Welke mogelijkheden kan het dierlijke perspectief geven, en welke rol kan de kunst spelen?

Hoewel deze vraagstukken zijn doorgedrongen in de hedendaagse kunsten, is het ook zinvol om dit nieuwe denken in verband te brengen met historische studies. In Animal (2002) schrijft de Britse literatuurwetenschapper Erica Fudge dat in de geesteswetenschappen het dier vrijwel altijd wordt bestudeerd als een ‘spiegel’: het dier reflecteert enkel de projectie van de mens, waarbij het enkel wordt ervaren als een object. In plaats van deze antropocentrische benadering pleit Fudge voor het bestuderen van het dier als een daadkrachtig subject, een levend organisme dat niet louter extern is aan de mens, maar haar beïnvloedt, beweegt en verandert. Zou er dan ook plaats gemaakt moeten worden voor ‘dierlijke kennis’ in ons denken, die buiten menselijk beredeneerde waarheden valt?

De recente terugkeer naar het dier verhoudt zich niet alleen tot de hedendaagse kunst, maar is ook interessant voor de kunstgeschiedenis als academische discipline. Want als de scheiding tussen subject en object vervaagt en het mens-zijn aan het wankelen is gebracht, wat betekent dit voor de geesteswetenschappen? Hoe gaan we om met het wetenschapsgebied in een tijdperk waarin de rol van de mens meer dan ooit kritisch bevraagd dient te worden?