Simulacrum

Tijdschrift voor kunst en cultuur

Door de iconen het Bosch niet meer zien.

Janno Martens

Nederlands succes
Bij ‘succes’ op het gebied van de vaderlandse architectuur denken velen in eerste instantie aan internationaal opererende firma’s als MVRDV of OMA. De gigantische bureaus die achter deze acroniemen schuilgaan danken de internationale faam vaak vooral aan hun meest volumineuze en sculpturale projecten — denk aan de Markthallen in Rotterdam of het CCTV-gebouw in Beijing [afb. A]. Zo’n zogenaamd icoon doet het nu eenmaal goed in zowel de blogosfeer als de gerenommeerde architectuurbladen en kan doordringen tot de meest exotische en onwaarschijnlijke voorbeelden van architectuurrepresentatie [afb. B].

Ik zou echter eerder de aandacht vestigen op Nederlandse architectuur die op een totaal andere leest geschoeid is: het zogenaamde structuralisme van de jaren zestig en zeventig. De architecten uit deze stroming kwamen intellectueel samen in het tijdschrift Forum, waarvan Jaap Bakema en Aldo van Eyck in 1959 de hoofdredactie op zich namen. De redactievergaderingen vonden destijds plaats bij de pas afgestudeerde Herman Hertzberger, die het vaak verbaasde dat “[…] die mensen er elke keer weer stonden. God, ik kocht dan maar goedkope wijn en telkens werd er gekankerd op die wijn, maar ze bleven toch komen.” Samen met Piet Blom, ontwerper van de beroemde Rotterdamse kubuswoningen, waren zij de belangrijkste protagonisten van deze stroming, die letterlijk en figuurlijk een eigen vorm gaf aan internationale conceptuele en architectonische ontwikkelingen. Een van hun belangrijkste kenmerken was een expliciete focus op de rol van de mens in architectuur. Het is dan ook geen toeval dat fotograaf Johan van der Keuken de gebouwen van Hertzberger steevast afbeeldde als podium voor het sociale theater dat erin plaatsvindt [afb. C].

Dit staat in schril contrast met de vaak als ‘mensonvriendelijk’ ervaren architectuur van hun internationale voorgangers, om nog maar te zwijgen over het clair-obscur dat ontstaat in vergelijking met de starchitecture van de afgelopen jaren. In tegenstelling tot de sculpturale iconen van de eenentwintigste eeuw laat het succes van de structuralisten zich niet meten in aantallen likes op pseudopornografische architectuurblogs, of naar de maatstaven van een ‘Bilbao-effect’: de bijna mythische werking die Frank Gehry’s icoon, het Guggenheim Museum in Bilbao, in positieve zin had op de regionale economie. Dat (de erfenis van) structuralistische architectuur niettemin als uiterst succesvol — of ten minste waardevol — gezien mag worden, zal ik trachten te illustreren aan de hand van een weliswaar aan de eerdergenoemde groep architecten gelieerde, maar er strikt gesproken geen deel van uitmakende architect: Theo Bosch. De uit een arbeidersgezin afkomstige Bosch begon zijn carrière als meubelmaker en ontwikkelde zich middels avondscholing en vooral ook het mentorschap van Aldo van Eyck tot een nuchtere maar inspirerende architect. Ik zal twee projecten van hem bespreken die momenteel aan een serieuze onderwaardering lijden: mensen lijken door de iconen het Bosch niet meer te zien. Ik denk dat dit onterecht is en hoop u een beetje van mijn Bosch-enthousiasme mee te geven in dit stuk, dat dan ook niet zozeer een academische beschouwing, maar veeleer een historisch geënt pamflet van mijn fascinatie zal zijn.

De Nieuwmarktbuurt
De Nieuwmarktbuurt vormde in de jaren zeventig het decor van groot verzet tegen de sloop ervan (een strijd die werd verloren) en herbergde vervolgens een burgeropstand tegen het hoogmodernistische, infrastructurele en stedenbouwkundige plan dat deze moest vervangen. De laatste slag in deze ‘oorlog’ om de stad — het tegenhouden van een geplande snelweg, parkeergarage, en nieuwe ruimtelijke structuur — werd uiteindelijk gewonnen: heftige rellen maakten dat het stadsbestuur haar autoriteit moest herzien. Dit baande de weg voor de uitvoering van de plannen van het bureau van Bosch en Van Eyck, winnaars van de in 1969–70 uitgeschreven prijsvraag voor een nieuw stedenbouwkundig plan, die erop hadden aangedrongen de oorspronkelijke stedelijke structuur te waarborgen en in de eerste plaats de functie van gemêleerde woonbuurt in stand te houden. Bosch zette zijn machtspositie effectief in: “[…] ik werd uitgenodigd te komen praten over die rooilijnkwestie in de Sint Antoniesbreestraat. Bij binnenkomst zei [wethouder Lammers]: ‘Bosch, we moeten eruit komen.’ Ik zei dat dat alleen mogelijk was door mij gelijk te geven.” De gemeente móest ook wel een knieval maken, gezien de grote maatschappelijke roering die de hele affaire teweeg had gebracht. In die zin is de hele Nieuwmarktbuurt te lezen als het resultaat van een succesvol verzet van zowel krakers en buurtbewoners als visionaire architecten tegen een in destructieve oplossingen denkend stadsbestuur. Ook het marktdenken heeft het moeten ontgelden: iedere andere ontwikkeling dan sociale huur zou toch onmiddellijk geblokkeerd worden. Dit maakt de gehele Nieuwmarktbuurt tot fantastisch testament van deze unieke zege voor sociale en diverse stedenbouw midden in de binnenstad.

Toch wordt deze buurt in de publieke opinie anno 2017 maar matig gewaardeerd, niet in de laatste plaats door haar uiterlijk. Wat deze kwestie betreft merkte Bosch ooit over Byzantium [afb. D] — een gebouw van OMA uit diezelfde periode dat ooit tot ‘lelijkste gebouw van Amsterdam’ werd bestempeld — treffend op dat daar “[…] wordt ontkend dat het gebouw met één kant in het Vondelpark staat […]. Mooi of lelijk is hier geen criterium. Het gebouw is blind.” Een belangrijke les over de beoordeling van het succes van een gebouw: hoe het eruit ziet zou zeker niet de enige, en meestal ook niet de primaire, oordeelsfactor mogen zijn. Toch geldt, ook gegeven het primaat van functionele ruimtes en het belang van contextgevoeligheid (Rem Koolhaas, meester van aforismen, had zijn prioriteiten duidelijk elders — wat bijvoorbeeld duidelijk blijkt uit zijn pamflet ‘Bigness’, over ‘grote’ architectuur: “It exists; at most, it coexists. Its subtext is fuck context”), dat zolang wijzelf in tegenstelling tot Byzantium níet blind zijn, mooi of lelijk wel degelijk een criterium is. Dit geldt in het bijzonder voor dit soort gebouwen uit de jaren tachtig en negentig, die veel mensen momenteel liever kwijt dan rijk zijn. Toegegeven: de gevelontwerpen die de Sint Antoniesbreestraat insluiten hebben een idiosyncratisch uiterlijk — Bosch liet ooit los dat “[…] een tikje minder ook wel had gekund.” Grappig genoeg is dit de oorzaak dat de massale privatisering van sociale huurwoningen die momenteel als een soort neoliberale inquisitie door de stad trekt, vooralsnog met een boog om de Nieuwmarktbuurt heen beweegt.

Het interessante aan dit soort esthetische oordelen is bovendien dat zo’n vonnis met enige inspanning ‘in hoger beroep’ teniet gedaan kan worden. Mij is het gelukt en ik nodig eenieder uit hetzelfde pad te bewandelen; zet u over uw eerste geveloordeel heen en bekijk hoe de elementen van de façade zijn gearrangeerd, wat voor vormen daarmee worden gecreëerd, wat voor leefomgeving en sfeer ontstaat door die ruimtelijke ingrepen. Een goede gateway drug tot dit doel is het Pentagon [afb. E], een — u raadt het al — vijfhoekig complex schuin tegenover de Amsterdamse Toneelschool en Kleinkunstacademie. Een klein poortje naast het complex geeft toegang tot het Zuiderkerkhof, waar u meteen wordt verwelkomd door een sereniteit die niet onder doet voor het interieur van de Zuiderkerk zelf, die het hof aan één kant begrenst; tegenover de kerk zult u zelfs een heuse partij vallend water ontdekken. Vergeet ook niet dat deze rust op letterlijk steenworp afstand van de drukke Sint Antoniesbreestraat ligt en dat beide ‘werelden’ met bijbehorend straatbeeld het resultaat zijn van bewust en doordacht ontwerp dat functies mengt wanneer het wat oplevert, maar scheidt wanneer dit wenselijk is — met als resultaat zowel een aangename leefomgeving als functionerende winkelstraat.

Het P.C. Hoofthuis
Hoewel misschien niet iedereen het nu zo ervaart, kan de Nieuwmarktbuurt dus als uiterst succesvol begrepen worden, mede dankzij de visie van ontwerpers Van Eyck en Bosch. Dit werd overigens destijds wél erkend, zij het vooral in de lokale kring van direct betrokkenen. Dit veranderde met de realisatie van het in tandem met het Pentagon ontworpen P.C. Hoofthuis (PCH), die uiteindelijk resulteerde in zowel internationale lof voor Bosch als de beëindiging van de samenwerking tussen hemzelf en Van Eyck [afb. F]. De enigszins verbolgen Aldo van Eyck achtte die splitsing onafwendbaar omdat “[…] twee kapiteins niet één schip konden besturen, of concreter: omdat je niet met zijn tweeën één potlood kon vasthouden.” Admiraal van Eyck had naar verluidt ook moeite met de meer zelfstandige koers die Bosch begon te varen, en schijnt ooit in een vergadering zijn overhemd te hebben geopend en naar Bosch te hebben geroepen: “Steek maar […] vadermoordenaar!” Dit zorgde ervoor dat Bosch het gebouw uiteindelijk onder eigen naam voltooide, en dit net als bij de Nieuwmarktbuurt deed met een scherp oog voor omgeving, sfeer en gebruiker.

Het PCH heeft echter, net als de Nieuwmarktbuurt, te kampen met een gebrekkige publieke waardering. Dit geldt ook (misschien zelfs vooral) voor haar primaire gebruikers: studenten. Als u deze onderwaardering deelt, is het misschien waardevol om dat idee bij te laten stellen door een gericht bezoek aan de bibliotheek van dit pand. Na de entree aan de Spuistraat leidt de gang aan uw linkerhand naar een trap die bij de bibliotheek uitkomt. Let u onderweg op de royale toepassing van vensters en glazen bouwstenen aan weerszijden van de hal, die een lichte atmosfeer garanderen. Regelmatig is door kamers en zelfs liftschachten heen te zien, een eigenschap die ervoor zorgt dat de hal met de Spuistraat en het Singel verbonden blijft. Zie eens, als u de trap bestijgt, of het lukt om níet gebiologeerd te raken door de manier waarop plotseling een oase van ruimtelijkheid om u heen gecreëerd wordt (direct onder u, ver beneden NAP, zijn maximaal twee bezoekers en even zoveel personeelsleden het fitnesscentrum aan het bevolken — vergeef hen hun zweetlucht, die u enkele meters mee de trap op zal vergezellen). In plaats van de obligate pogingen tot ‘opleuking’ die bekend is uit andere studiecentra, kent het PCH subtiele motieven van kleuren en vormen (zoals de consequente toepassing van de cirkelvorm in plafondlampen, dakramen, interne vensters en zelfs vloerelementen). Aan het eind van de trap zal blijken dat de studieruimte van uw bestemming een zeldzaam onversneden geesteswetenschappelijke aura bezit. Dit is geen ‘Library Learning Centre’ met decameters lange tafels vol wetboeken, maar een op de gracht uitkijkende, intieme ruimte met houten leestafels die regelrecht uit een Pastoe-catalogus afkomstig lijken (misschien zijn ze dat ook wel — de zeeblauw gestoffeerde buisframe stoelen maken het designeffect er in ieder geval niet minder op).

Don’t take my word for it, maar luister naar wijlen Boudewijn Büch, die dit ‘brutale’ (geen verwantschap met béton brut geïntendeerd, maar wel van toepassing!) monument liefdevol omschrijft in een brief aan Bosch:

Toen ik de bibliotheekruimten bezocht van jouw schepping — die ik ideaal en open vind — trof mij onmiddellijk het hele bouwwerk […]. Als je weet hoeveel letterengebouwen ik de afgelopen jaren op de wereld heb bezocht, dan kun je je misschien voorstellen hoe bijzonder prachtig ik jouw creatie vond. Het was één van de eerste keren dat ik mij ‘gelukkig’ (het klinkt pathetisch — ik weet het) voelde in een letterengebouw […]. Jouw grootste vondst vind ik die brutaliteit van een licht gekleurd, fragiel-ogend gebouw in dat (stokoude!) deel van Amsterdam dat voor het overige zo somber is.

Büchs lauwering van het PCH zal thans door weinigen meer gedeeld worden, terwijl het gebouw zich wat mij betreft door zijn eigenzinnige architectuur inderdaad in positieve zin onderscheidt van veel andere UvA-locaties. Bovendien doet dit gebouw precies wat Bosch ooit als belangrijkste architecturale criterium aanduidde: iets teruggeven aan de stad. In die geest zou het P.C. Hoofthuis niet alleen als architectonisch, maar vooral ook als programmatisch waardevol herkend moeten worden. Deze semipublieke plek zorgt voor broodnodige sociaal-demografische afwisseling op een verder eentonig — helemaal sinds de krakers van onder meer het Slangenpand in 2015 met geweld uit de Spuistraat zijn verwijderd — en toeristisch stukje Amsterdam.

Opnieuw kunnen we de waarde, en het succes, van dit door Bosch ontworpen project tweeledig definiëren: enerzijds als waarborg voor een gevarieerde stad, anderzijds als de realisatie van een doordachte, op de gebruiker gerichte omgeving met een eigenzinnig karakter. Dit soort waardes lijken echter een bijna anachronistisch criterium te zijn geworden in de architectuur, of toch tenminste in het vastgoedbeleid van zowel de gemeente als de Universiteit van Amsterdam. Doelstellingen en resultaten worden in toenemende mate in kwantitatieve (economische/toeristische groei, kosten/opbrengsten, likes/shares, enzovoorts) criteria geformuleerd. Hiermee lijkt het succes van Bosch et al. definitief geliquideerd.

En daarmee staat het P.C. Hoofthuis na haar onvermijdelijke verkoop waarschijnlijk hetzelfde lot te wachten als het iets verderop gelegen, zich eens zo trots verzettende Bungehuis: ten prooi vallen aan de pandemische hotelkoorts van het centrum, waarin we straks niet zozeer door de iconen, maar vooral door de toeristenstromen geen Bosch meer zullen zien. De onvermijdelijke sluiting van die inspirerende bibliotheek, en het vooruitzicht mijn scriptie te moeten schrijven achter de anonieme kantoorgevels van het Roeterseilandcomplex of in de raamloze studieruimtes van de UB, stemt me dan ook erg somber; om nog maar te zwijgen over de toekomst van het Amsterdamse centrum.