Simulacrum

Tijdschrift voor kunst en cultuur

Op handen gedragen: Collectiviteit als formule voor succes

Redactie

Julia Steenhuisen en Nora Veerman in gesprek met Pascal Gielen

Onder het mom van democratisering is de afgelopen decennia een steeds groter aantal studenten toegelaten op kunstacademies. In realiteit zorgt deze ‘democratische’ tendens echter voor immer groeiende concurrentie onder kunstenaars. Pascal Gielen, hoogleraar cultuursociologie aan de Universiteit Antwerpen, neemt waar dat kunstenaars creatief uitgeput raken onder het dictaat van het individualisme en slachtoffer worden van uitbuiting. Dat kunstenaars een maatschappelijke rol kunnen of moeten hebben, wordt door markt en overheid vaak vergeten. Slecht verdienende kunstenaars worden gewoonlijk simpelweg beschouwd als ‘onsuccesvol’: zij hebben geen bestaansrecht. Gielen verzet zich tegen de eenzijdige neoliberale definitie van succes die aan deze gedachtegang ten grondslag ligt. Een succesvol kunstenaar heeft volgens Gielen juist verschillende componenten in balans: hij/zij heeft een gezonde mentale en financiële basis en zet zich in voor de gemeenschap. Voor een bredere acceptatie van Gielens definitie is echter een nieuw systeem, met nieuwe normen voor de waardering voor kunst, nodig. Het initiëren van een gemeenschappelijke tegenbeweging is de enige wijze waarop zo’n nieuw systeem kan ontstaan. Simulacrum reisde af naar Antwerpen om Gielen te vragen hoe dit doel gerealiseerd kan worden.

I
“De klassieke route naar succes is voor de kunstenaar al enige tijd hetzelfde: via representatie door een galerie naar tentoonstelling in een museum. Deze route werd in de jaren zeventig uitgebreid met tussenstations: nieuwe tentoonstellingsplatforms als biënnales. Ondertussen bestaat er ook een systeem waarin kunstenaars enkel in galerieën getoond worden en nooit in een museum of ander kunstinstituut terecht komen. Niemand behalve kunstkopers kent hen. Zij zijn de zogenaamde ‘marktkunstenaars’.”

“Kunstenaars die tegenwoordig succesvol worden genoemd, branden zichzelf op; ze ontwikkelen zichzelf niet door hun hyperindividuele werkwijze. Ooit zei Luc Tuymans tegen mij: ‘Het ergste dat je kan overkomen is vijftien jaar lang succesvol zijn. Het enige dat je dan nog krijgt zijn schouderklopjes.’ En inderdaad, na jaren van succes wordt Tuymans alleen nog maar omringd door fans. Dat zijn allemaal belanghebbenden van de kunstenaar: verzamelaars en beleidsmakers, bijvoorbeeld. Zij zijn voor een kunstenaar niet interessant omdat het hen enkel om de geldelijke waarde van het kunstwerk te doen is. Enerzijds zijn kunstenaars natuurlijk bezig met het genereren van inkomsten via hun werk, maar tegelijkertijd zijn ze op zoek naar een intellectuele uitwisseling, en die vinden zij in dit systeem niet.”

II
“Het individu is broos. Men zal zich moeten realiseren dat het zich op een andere manier moet organiseren. Er moet worden gezocht naar nieuwe manieren van samenkomen, naar nieuwe samenstellingsvormen. Een samenstelling bedoel ik als een heterogene groep: een groep met uitsluitend kunstcritici of kunstenaars zal zichzelf niet kunnen redden. Daarvan getuigt ook de precaire positie van veel van hen. Wat ik interessant vind, is dat er momenteel door gevestigde en minder gevestigde kunstenaars wordt nagedacht over alternatieve werk- en organisatiemethoden die tegengesteld werrken aan de dominante systemen en mechanismen. Deze nieuwe methoden worden niet aangedreven door de drang naar succes: de groep kunstenaars die zich hiermee bezighoudt is daarin namelijk niet geïnteresseerd. Zij doen datgene dat zij belangrijk achten voor de samenleving. Om dat te bereiken, creëren ze eigen modellen om zichzelf te ontwikkelen, vaak collectieven waarin artistieke en zakelijke taken onderling worden verdeeld en diensten worden uitgewisseld. Deze modellen zijn heel anders dan het klassieke model: ze zijn gezonder voor de kunstenaar en duurzamer voor de kunstwereld, door de stabiliteit en continuïteit die deze vormen van collectieve organisatie bieden.”

“Er bestaat een misverstand over kunst en autonomie, en wat in Nederland de zzp’er wordt genoemd. Dit zelfstandig ondernemerschap wordt sterk geromantiseerd, maar het is iets totaal anders dan autonomie. Volgens mij kun je beter collectief autonoom zijn, door je collectief te organiseren. Het is namelijk noodzakelijk om ruimte voor dissensus te creëren. In relaties van vertrouwen kan er productieve dissensus ontstaan. Momenteel is er geen sprake van dissensus maar van competitie, een werksfeer waarmee je op de kunstacademie al wordt geïntroduceerd. Studenten zijn voortdurend met elkaar in opbod. In een hypercompetitief systeem kun je je ideeën niet delen omdat je bang bent dat een ander ze van je steelt, terwijl het testen van ideeën juist essentieel is in de ontwikkeling van een kunstenaar.”

“Natuurlijk verenigen kunstenaars zich ook omdat ze goedkope oplossingen zoeken. In die zin is deze werkwijze opportunistisch en pragmatisch. Maar het gaat hen vooral om het aangaan van een duurzame, kritische dialoog met peers. Grote organisaties als het Mondriaan Fonds schieten tekort in het faciliteren hiervan. De grote kunstprijzen die zij uitloven verhullen alleen een tekort aan structureel beleid. Deze zijn vluchtig: iemand staat even in de belangstelling en moet een jaar later weer plaatsmaken voor een ander. Juist de radicale keuze om iets langdurig te ondersteunen is belangrijk. Succes wordt hierdoor op een hele andere, nieuwe manier gedefinieerd.”

III
‘‘Ik ben een groot fan van het instituut: het heeft een groot sociologisch nut doordat het solidariteit creëert. De universiteit, bijvoorbeeld, is een fantastische plek. Deze biedt mij een beschermde ruimte waar ik kan onderzoeken en zeggen wat ik wil en belangrijk vind, zonder rekening te hoeven houden met de politiek of de media. In veel gevallen moet je je echter afvragen in hoeverre je nog met een instituut te maken hebt. Een voorbeeld daarvan is de Biënnale van Venetië. Vroeger werd de tentoonstelling in het Arsenale samengesteld door een curator, nu wordt zij bepaald door vijf galerieën die daar bij wijze van spreken de scepter zwaaien. Ook het Tate Modern is twijfelachtig, doordat hun collectie in feite het bezit is van een Zwitserse bank. In Amsterdam is het grootste probleem dat instituten goed zijn voor toerisme en geschikt als landingsplek voor rondvliegende internationale peers, maar dat ze geen aandacht hebben voor de gemeenschap, of dat nu de kunstenaarsgemeenschap of de eigen omgeving betreft. Instituten zijn meegegaan in het marktdenken enerzijds omdat ze daartoe gedwongen werden, en anderzijds omdat er niet op tijd nagedacht is over andere modellen. Hun perverse aandacht voor hoge bezoekersaantallen heeft gezorgd voor een hardnekkige verwarring tussen maatschappelijk draagvlak en vermarkting.”

IV
“De verbinding tussen het instituut en de gemeenschap moet hersteld worden. Het is zaak om organisatiestructuren te ontwikkelen die niet afhankelijk zijn van de markt, en die gericht zijn op de langere termijn — bijvoorbeeld door gebruik te maken van een coöperatieve structuur. Dat betekent wel dat bijvoorbeeld het museum er niet meer uit zal zien zoals we het momenteel kennen. Waar we naartoe zouden moeten is een constitutie in plaats van een instituut. Een plek die per definitie bottom up georganiseerd is. Het is cruciaal om de condities waarin je werkt in samenspraak te bepalen, om daar vervolgens trouw aan te blijven. Dat betekent niet dat een organisatie nooit hiërarchisch ingericht zou kunnen zijn; dat is afhankelijk van de afspraken die daarover zijn gemaakt. Voor een constitutie is het wel noodzakelijk dat het directoraat en de curatoren op meerdere vlakken integreren: dat zij in de omgeving wonen en de organisatie van binnenuit kennen, om zo een breed maatschappelijk draagvlak op te bouwen.”

V
“Het ontwikkelen van een maatschappelijk draagvlak kan ook door bijvoorbeeld thema’s te behandelen die mensen bezighouden. Dat moet zich vertalen naar aanspraak bij een grote gemeenschap, niet noodzakelijkerwijs naar bezoekersaantallen. Ook dat is deel van de constitutie. Een instituut dat hierin lijkt te slagen is het Museo Reina Sofía in Madrid. Hier kun je op dezelfde avond de koningin van Spanje ontmoeten, naar een travestietenbal gaan en spreken met de communistische partij. Van dit soort heterogene instituten word ik emotioneel zij tonen een totaal nieuwe denkwijze over wat een instituut kan zijn. Als persoon is Charles Esche, directeur van het Van Abbemuseum, een goed voorbeeld. Enerzijds is hij deel van de oude constellatie; hij leeft het leven van een jetsetter en is weinig aanwezig in het museum. Anderzijds is wat hij doet heel anders dan wat er in het Rijksmuseum of het Stedelijk Museum gebeurt: hij verankert het instituut in de omgeving en wil met het museum ruimte bieden aan een alternatief narratief voor het neoliberale denken. Hij en enkele anderen vormen de voorhoede voor een jongere generatie. Hun voorbereidend werk zal echter alleen effect hebben op voorwaarde dat deze generatie zich collectief organiseert en op basis van vertrouwen samenwerkt. Wanneer de hyperindividuele praktijk wordt voortgezet zal de huidige situatie niet doorbroken worden. Deze collectiviteit vereist een mate van pragmatisme. Soms gaat het over organisatievormen die wettelijk niet bestaan. Er moet gelobbyd worden, en strategisch nagedacht. Uiteindelijk zullen deze inspanningen dan leiden tot een geheel nieuwe infrastructuur.”