Simulacrum

Tijdschrift voor kunst en cultuur

Travelling Carpets: Het tapijt als drager van verhalen

Christel Vesters

 

In de introductie op zijn magnum opus, de Bibliographica Textilia Historiae (1997), omschrijft Seth Siegelaub – behalve curator en activist ook een fervent verzamelaar van boeken en textiel – zijn fascinatie voor historisch textiel: “Textiles have played a very special role in the history of humanity because of their unique and contradictory dual character: they are at the same time very delicate to the natural elements and human use on the one hand, while on the other, they are very rugged, resilient and portable as objects of transport.” Met name door het gemak waarmee het getransporteerd en verhandeld kon worden, maakte textiel tot “…an essential means of communication for motifs, designs, cultural values and ideas, as well as the power behind them.”[1]

Seth Siegelaub inventariseerde in de Bibliographica Textilia 7300 publicaties over de wereldgeschiedenis van pre-industrieel textiel. De Bibliographica Textilia bevat items over de techniek en esthetiek van geweven en geborduurd textiel, maar behalve dat plaatst de selectie publicaties de geschiedenis van textiel in de bredere context van economische ontwikkeling, handel, sociale verandering en technologische vernieuwing. In Siegelaubs benadering van handgemaakt textiel draait het niet alleen om de schoonheid, functie en het vakmanschap, maar om de rol van textiel als drager, verspreider en getuige van vele geschiedenissen wereldwijd.

Een kleine tachtig jaar eerder introduceerde Aby Warburg al de term Bilderfahrzeuge (beeldvervoerders), waarmee hij de rol beschrijft die vijftiende-eeuwse Vlaamse wandtapijten speelden in de verspreiding van beeldmotieven van Vlaanderen naar Florence. Aristocratische families namen de tapijten met zich mee wanneer zij in de winter van hun Vlaamse kastelen naar hun Florentijnse verblijven verhuisden. In zekere zin zouden de wandtapijten kunnen dienen als een vroege case study voor de moderne studie naar migratory aesthetics waarin, zoals Mieke Bal het omschrijft, onder andere onderzoek wordt gedaan naar het huidige culturele en artistieke moment met het oog op de samensmelting van culturen.[2]

Kortom, textiel en in het bijzonder tapijten hebben bijgedragen aan de verspreiding van beeldmotieven, van weef- en knooptechnieken en waren een gewild handelsproduct. Tegelijkertijd zijn handgemaakte tapijten het product van een intensief en vaak persoonsgebonden arbeidsproces. Ieder tapijt, iedere knoop en iedere knoper is uniek. Een tapijt is het testament van de toewijding van een persoon die in ontelbare uren handwerk zijn kennis, zijn kunde, zijn gevoel voor materiaal, textuur, kleur en patroon overbrengt op het weefsel. Je zou kunnen zeggen dat het tapijt, voor een bepaalde periode, is verknoopt met het leven en de beleving van de maker.

Verknoping van materiaal, plaats en tijd
De tentoonstelling Kum Kapi – Travelling Carpets in het Museum Calouste Gulbenkian in Lissabon bood een perfect voorbeeld van deze verknoping tussen materiaal en maker.[3] In de schaars verlichte kelderzaal toonde het museum een selectie bijzondere Kum Kapi-tapijten afkomstig uit eigen collectie. Deze Kum Kapi-tapijten danken hun naam aan de wijk in het toenmalige Constantinopel waar zich eind negentiende eeuw een kleine groep Armeense meesterwevers vestigde. Hun verfijnde, met de hand geverfde en geknoopte tapijten van zijde zijn onder andere beroemd om de fraaie ontwerpen en motieven, geïnspireerd op zestiende-eeuwse Perzische tapijten. Het gebruik van zilver en gouden metaaldraad en de hoge knoopdichtheid (10×10 knopen/cm2) maken de tapijten tot exclusief handwerk.

Kumkapi ligt op de zuidelijke grens van het Europese deel van Istanbul, ingeklemd tussen de muren van het Topkapi-paleis en de Marmarazee. Kumkapi was aantrekkelijk vanwege de geografische ligging, dicht bij het stadje Hereke dat zich sinds de vestiging van het hofatelier voor tapijten en textiel in 1843 had ontwikkeld tot het internationale centrum van verfijnde handgemaakte tapijten. Het verblijf in Kumkapi bood de Armeense wevers de mogelijkheid om hun verf-, weef- en knooptechnieken te verrijken met de expertise van de wevers uit Hereke. Behalve deze ‘samensmelting’ van weeftechnieken en culturen, is de meest evidente verknoping met de lokale cultuur te vinden in de specifieke ontwerpen van de Kum Kapi-tapijten. De Armeense wevers uit Centraal-Anatolië, die tot dan toe voornamelijk Turkse en islamitische motieven kenden, bezochten waarschijnlijk regelmatig de schatkamers in het Topkapi-paleis waar de sultan een aantal kostbare zestiende- en zeventiende-eeuwse Perzische tapijten had tentoongesteld. Het was hier dat de wevers inspiratie opdeden voor hun creaties met bloem- en diermotieven.

De Kum Kapi-tapijten zijn het resultaat van een unieke ‘ontmoeting’ tussen twee verschillende culturen en de daaruit voortvloeiende uitwisseling en vervlechting van materialen, technieken, stijlen en beeldmotieven. De Armeense wevers, ‘Fahrzeuge’ van ambachtelijke kennis, beeldmotieven etcetera, arriveerden in Istanbul onder uitzonderlijke historische omstandigheden: de meesten van hen waren waarschijnlijk op de vlucht voor de toenemende vervolging van orthodox-christelijke Armenen in hun geboorteplaats in Centraal-Anatolië. De tapijten zijn onlosmakelijk verbonden met deze specifieke plek en tijd in de geschiedenis; niet alleen in de geschiedenis van de textiele ambachten, maar ook in die van hun makers.

De productie van Kum Kapi-tapijten in Istanbul is maar van korte duur. In 1915 verlaten de meeste Armeense wevers het Osmaanse Rijk, op de vlucht voor de etnische zuiveringen die tussen de 1 en 1,5 miljoen Armeniërs het leven zou kosten.

Hagop Kapoudjian
Naast een zestiende-eeuws Perzisch tapijt toont het museum in de tentoonstelling Kum Kapi – Travelling Carpets drie stukken van een van de meesters uit de beschreven ‘Kum Kapi-school’: de Armeense wever Hagop Kapoudjian (ca. 1870-1946). Kapoudjian werd geboren in Kayseri, een provinciestad in Centraal-Anatolië. Ook hij trok op jonge leeftijd naar Istanbul, waar hij op zijn twintigste al de reputatie van meesterwever verwierf. Zijn tapijten onderscheidden zich vanwege hun uitmuntende techniek, de hoge polen en het unieke kleurspectrum die zijn creaties glans en licht geven, maar waren vooral geliefd om hun unieke, authentieke ontwerpen, met kleurrijke, fantasievolle motieven met pauwen, herten, bladeren en bloemen. Kapoudjian liet zich inspireren door de Perzische tapijten uit de Safavidische periode (zestiende en zeventiende eeuw) die te zien waren in het Topkapi Paleis. In de tentoonstelling zijn een aantal van zijn originele schetsontwerpen te zien: kleurrijke blad- en bloemmotieven knoop voor knoop uitgetekend in een grit van hokjespapier geplakt op karton. Kapoudjian signeerde zijn tapijten in het Armeens; een bijzondere geste die getuigde van trots en lef, gezien de precaire situatie waarin de Armeense wevers zich indertijd bevonden.
In de lente van 1915 stopte Kapoudjian’s productie abrupt. Op 24 april pakte de Osmaanse regering tweehonderdvijftig Armeense intellectuelen op en kondigde verdere maatregelen af waarmee de Armeense Genocide een feit was. Samen met vele andere Armeniërs liet ook Kapoudjian voor de tweede maal huis en werk achter. Via Griekenland kwam hij uiteindelijk in Parijs terecht, waar hij nog een aantal tapijten zou maken en zijn inkomen verdiende als restaurator van handgeknoopte Perzische tapijten. Hier ontmoette hij ook de Britse zakenman en filantroop Calouste Sarkis Gulbenkian (1868-1955), voor wie hij verschillende tapijten uit diens collectie restaureerde. De mannen bewogen zich niet in dezelfde sociaal-maatschappelijke kringen, maar deelden wel hun Armeense achtergrond. Gulbenkian spendeerde een groot deel van zijn tijd en geld aan het verzamelen van kunst, waaronder Armeense kunst en producten van kunstnijverheid zoals de Kum Kapi-tapijten, en wierp zich op als beschermheer van het Armeense culturele erfgoed – ambities die tot op de dag van vandaag in zijn naam worden voortgezet door de Gulbenkian Foundation in Lissabon.

Mehkitar Garabedian
De levens van Gulbenkian en Kapoudjian zijn via hun liefde voor de tapijtknoopkunst met elkaar verbonden. De meest tastbare getuigenis van deze verbintenis is het door Kapoudjian gerestaureerde Kum Kapi-tapijt dat bij binnenkomst in het midden van de tentoonstelling ligt. Het levenswerk en de levensverhalen van deze twee mannen worden in dialoog gebracht met dat van de jongere kunstenaar Mekhitar Garabedian. Garabedian werd in 1977 geboren in Aleppo, Syrië en heeft een Armeense achtergrond. Net als Hagop Kapoudjian verliet zijn familie in 1915 het Osmaanse rijk op de vlucht voor de vervolging. In 1981, tijdens de Libanese burgeroorlog, vluchtte zijn familie weer – ditmaal naar België. Persoonlijke thema’s als ‘afkomst’, ‘migratie’ en ‘identiteit’ en de zoektocht naar de betekenis van zijn Armeense wortels zijn belangrijke referentiepunten in zijn werk. Voor Garabedian vertaalt de zoektocht zich naar een continu animeren van de statische en anonieme beelden en getuigenissen uit een ver verleden naar een continu in beweging zijnd heden.

Een veelzeggend voorbeeld van dit proces waarin de kunstenaar zich zijn culturele achtergrond eigen probeert te maken, is het gedisciplineerd oefenen van het Armeense alfabet, geschreven op de muur in het werk Fig. A, a comme alphabet (2010-2016). In de afgelopen jaren heeft de kunstenaar deze schrijfoefening op verschillende plekken herhaald, zoals op de muren van tentoonstellingsruimtes als het Gulbenkian Museum, maar ook in de vorm van een geweven tapijt. De onder elkaar geplaatste lijnen met repeterende a’s, b’s, c’s (enzovoorts) in Armeens schrift wiebelen tussen de regels van een multomapblaadje. Het patroon van repeterende letters is een vertaling van enerzijds een intensieve exercitie om een persoonlijk familieverleden in leven te houden en anderzijds een daad van verzet tegen een collectief vergeten van het lot van de Armeense diaspora. Of, zoals de kunstenaar zegt, deze serie werken documenteren “het verlies van de moedertong, iets dat in veel migratiegeschiedenissen gebeurt, vooral bij de Armeense diasporagemeenschappen.”[4]

Net als de andere tapijten in de tentoonstelling hangt Garbedians Fig. A, a comme alphabet (2012) niet aan de muur. Het tapijt ligt achteloos op grond, alsof de stijloefening ongemerkt uit een ordner is gevallen. Doordat de tapijten op eenzelfde – horizontale – manier zijn tentoongesteld, worden verschillen in herkomst en generatie moeiteloos overbrugd. In de open ruimte tussen de tapijten ontvouwen zich verhaallijnen en geschiedenissen die zich in de tapijten hebben ingekapseld. Zo lijken Garabedians oefeningen om zich het Armeense schrift eigen te maken een verwijzing naar het feit dat Hagop Kapoudjian zo’n honderd jaar eerder zijn tapijten in het Armeens signeerde, als eerbetoon aan zijn Armeense afkomst.

Het primaire onderwerp van de tentoonstelling Kum Kapi: Travelling Carpets is niet de Kum Kapi-tapijten en hun betekenis in de geschiedenis van handgemaakt textiel, hun ambachtelijke en esthetische statuur, maar de onzichtbare geschiedenis en het tragische lot van de Armeense diaspora die zij in zich dragen. De expositie vertelt het verhaal van de Armeense Genocide in 1915, een gebeurtenis die tot op de dag van vandaag door veel naties (waaronder Nederland) niet officieel is erkend. Textiel en tapijten zijn niet alleen interessant omdat zij sporen van maker en gebruik tonen, aldus Siegelaub, maar omdat zij getuigen zijn van de onzichtbare, geleefde geschiedenis waarin zij zijn ontstaan, circuleerden en communiceerden.

[1] Seth Siegelaub and Center for Social Research on Old Textiles, eds. Bibliographia Textilia Historiae: Towards a General Bibliography on the History of Textiles Based on the Library and Archives of the Center for Social Research on Old Textiles. New York: International General, 1997: 9.

[2] Mieke Bal. ‘Migratory Aesthetics / Double Movement.’ Exit, nr. 32 (2008): 150.

[3] Kum Kapi: Travelling Carpets, Museu Calouste Gulbenkian, Lissabon, 13 mei – 19 september 2016.

[4] Op. cit. tentoonstellingstekst. Mekhitar Garabedian: Young Man Blues, KIOSK, Gent, 20 februari  2010 – 28 maart 2010.