Simulacrum

Tijdschrift voor kunst en cultuur

Jrg. 26 #4 (t)huis

Redactie

Oost west, thuis best. Het eigen huis wordt vaak voorgesteld als een oase van rust, een onafhankelijk en vrij gebied waar men zich kan onttrekken aan de hectiek van de buitenwereld. Het lijkt wellicht wonderlijk dat Simulacrum zich, in een tijd van grote onrust in het publieke domein, zich in dit themanummer juist met deze veilige haven achter de voordeur wil bezighouden. De verschillende manieren waarop mensen van een huis een thuis maken zijn echter ook betekenisvol buiten de privésfeer. Een nadere blik op het (t)huis kan ons namelijk veel vertellen over processen van identiteitsvorming en de wijze waarop mensen met elkaar (zouden willen) samenleven. Misschien is wonen dus meer dan enkel een persoonlijke aangelegenheid.

Juist in het huidige digitale tijdperk, waarin externe partijen meer en meer de privésfeer binnendringen, is ons afvragen wat ‘thuis’ heeft betekend in het verleden en kan betekenen in de toekomst is bij uitstek relevant. Voor dit nummer van Simulacrum hebben auteurs en kunstenaars daarom vanuit zeer uiteenlopende invalshoeken gereflecteerd op het (t)huis – van de zeventiende eeuw tot gisteren.

Wie aan huiselijkheid denkt, denkt al snel aan de talloze intieme interieurvoorstellingen uit de Hollandse Gouden Eeuw. Anne-Rieke van Schaik laat zien dat de interpretaties van deze schilderijen behoorlijk uiteenlopen en dat hun ‘oer-Hollandse’ kneuterigheid niet zo stevig verankerd is in de nationale identiteit als vaak wordt gedacht. Ook Anouk Slewe schrijft over de complexe relatie tussen het huis en identiteit. Zij schrijft over de atelierwoning van Theo van Doesburg, die de ongrijpbare alleskunner ontwierp aan het einde van de jaren twintig. Door zijn huidige functie kan deze woning vandaag de dag niet alleen gezien worden als een belichaming is van de utopische droom van de kunstenaar om kunst en leven te unificeren, maar ook van zijn onophoudelijke drang naar verandering en experiment. Lodewijk Verduin benadert de relatie tussen het individu en thuis op een hele andere manier. Aan de hand van de kunstwerken en romans van Miek Zwamborn laat hij zien dat een thuis geen fysieke plaats hoeft te zijn. Het werk van Zwamborn lijkt te gaan over de vraag hoe iemand zich ergens thuis kan voelen, en wat daar precies voor nodig is. De auteur interpreteert ‘thuis’ vervolgens als het resultaat van een zoektocht naar de betekenisgeving van de mens.

Een huis dient niet alleen ter bewoning, maar is ook een plek waar kunstenaars creëren, exposeren en organiseren. Margaux Van Uytvanck schrijft over de tot nu toe nog onbekende happenings die Marcel Broodthaers organiseerde in zijn Brusselse woning, nog vóór hij zijn huis een jaar lang tot museum zou omdopen. Ze verkreeg nieuwe informatie door interviews af te nemen met een echtpaar dat destijds bij Broodthaers in huis woonde en hem assisteerde bij zijn werk. De gasten die Constantin Brancusi in zijn atelier bezochten kunnen we helaas niet meer spreken, maar door de reconstructie van Renzo Piano krijgt men wel een idee van de secure constellatie beeldhouwwerken die Brancusi daar heeft achtergelaten. In haar artikel schrijft Martine Bontjes welke onvermijdelijke moeilijkheden een dergelijke reconstructie echter met zich meebrengt.

Twee kunstenaars reflecteren in dit nummer op de schijnbare vanzelfsprekendheid van noodzakelijke, functionele elementen van het huis. In zijn project Doorzon onderzoekt kunstenaar Bart Lunenburg verschillende aspecten van het venster in de Nederlandse architectuur. Lunenburg beschouwt het venster als overgangsgebied tussen de buitenwereld en de privésfeer. Minne Kersten neemt een andere, vaak onmisbare constructie in de architectuur als uitgangspunt: de trap. In haar installatie verandert de restruimte die zich onder de trap bevindt in een schuilruimte, een plek voor wildgroei en obscuriteiten.  In haar werk legt zij een verband tussen het menselijk lichaam en het huis, een organisch ‘lichaam’.

A decorated room with invaded ideas is een voortdurend samenwerkingsproject van Anastasija Pandilovska, Jakob Ehrlich en Eline Tsvetkova. Hierin onderzoeken zij verschillende betekenissen van het begrip ‘thuis’ taalkundig en geografisch in een trans-Europese context. De hoofdvraag in deze tekst luidt: kunnen we ergens echt thuis horen en welke rol spelen de geografische coördinaten van onze woonplaats hierin? Dat het begrip ‘thuis’ verschillende en soms ook beladen culturele betekenissen kan hebben laat ook Melle van Maanen zien in zijn artikel over de installatie Verwoest Huis Gaza van Marjan Teeuwen. Wanneer de huizen van de Palestijnse gemeenschap in Gaza worden verwoest, kunnen zij niet terug naar een ander, veilig gebied. Waar moeten zij dan naartoe? Paul Gauguin leerde ons dat deze vraag al langer actueel is. Zijn slotstuk is daarom onze ouverture: waar komen we vandaan, wat zijn we, en waar gaan we naartoe?

Het nummer is vanaf nu te koop bij onze verkooppunten of bestelbaar via info@simulacrum.nl

 

Inhoudsopgave


#. Het puin van thuis; Voorbij de verwoesting met

Melle van Maanen


#. Het scheppen van houvast: over het werk van Miek Zwamborn

Lodewijk Verduin


#. Over vensters, licht en de Nederlandse doorzonwoning

Bart Lunenburg


#. Alle hoeken van de kamer; Kunsthistorische perspectieven op het huiselijk tafereel in de Gouden Eeuw

Anne-Rieke van Schaik


#. The Burrow

Minne Kersten


#. Open deur voor de avant-garde; een onderzoek naar de happenings bij Marcel Broodthaers

Margaux van Uytvanck


#. Voortleven in steen; De atelierwoning van Theo van Doesburg

Anouk Slewe


#. Update Atelier Brancusi: drie reconstructies verder

Martine Bontjes


#. I&I&I in Communal Time

Eline Tsvetkova, Jakob Ehrlich, Anastasija Pandilovska