Simulacrum

Tijdschrift voor kunst en cultuur

Call for papers STIL (TE) // STILL (NESS)

Redactie

NL

Het was stil in de stad, stil zoals het in jaren niet meer geweest was. Lente in Amsterdam, maar geen toerist te zien op de Dam of de Wallen. Hele steden, transportroutes, snelwegen, netwerken en winkelstraten, werden tot stilstand gebracht door de pandemie die onze samenleving in haar greep houdt sinds maart 2020. Naast de ellende en onzekerheid van de situatie, kan de stilte van lockdowns ook als iets positiefs worden ervaren. Natuurlijk vooral vanuit een geprivilegieerde positie, maar toch: veel mensen gaven schoorvoetend toe de stilstand enigszins te waarderen. Ondanks alle angst om gezondheid, economische crises, en de toekomst, waren mensen opgelucht dat ze niet meer moesten van zichzelf, stiekem toe aan minder beweging en geluid.  

Ontbreekt tegenwoordig niet juist het ontbreken van het lawaai en de snelheid van de wereld om ons heen? Stil(te) wordt veelal als negatief ervaren in de prestatiemaatschappij. Deze mentaliteit van ‘continuous functioning’ wordt door cultuurtheoreticus Jonathan Crary aangeduid als een regime van 24/7, ‘a static redundancy that disavows its relation to the rhythmic and periodic textures of human life.’ Zonder te vervallen in hapklare new age-slogans over ‘de stilte in jezelf vinden’ – waarbij je vervolgens altijd iets moet aanschaffen om tot de realisatie te komen dat je niks nodig hebt – lijkt meer stilte in een samenleving waar burn-outs al beginnen op de basisschool geen slecht idee. 

Retraites bieden ons een mogelijkheid om ons te onttrekken aan de luide, alsmaar voortbewegende samenleving. Gekochte stilte moet als positiefs ervaren worden, terwijl ongewilde stilte als ongemakkelijk of slecht wordt ervaren. Media geven invulling aan stilte, maar komen ook voort uit een angst ervoor; nieuwe vormen van media, zoals podcasts, kapitaliseren op onze horror vacui. Een gevallen stilte confronteert ons met leegte, eenzaamheid en onzekerheid.

Stilte kan confronterend zijn, maar het is ook een omstandigheid die gepaard gaat met creatie. De minimalistische kunstenaar Agnes Martin wilde met haar kunst een ervaring bieden die woordeloos en stil is, waarbij zij eenzaamheid zag als de perfecte omstandigheid voor de creatie van deze kunst. In 1967 besloot de mystieke kunstenaar de kunstwereld van New York achter zich te laten, om zich terug te trekken in de woestijn; zonder elektriciteit, zonder telefoon, ver weg van de samenleving. Deze periode van eenzaamheid heeft een significante verschuiving in haar oeuvre gekenmerkt. Het alleen zijn en de creatie van kunst zijn dusdanig met elkaar verbonden dat er een mythe omheen is ontstaan: die van de teruggetrokken kunstenaar, bij wie creatie voortkomt uit eenzaamheid en stilte. 

Stilte kan de verstikking belichamen van datgene waarvan we nog niet weten hoe we het moeten zeggen; of datgene wat nog geen geaccepteerde ruimte/plek heeft gevonden. ‘While we wait in silence for that final luxury of fearlessness, the weight of that silence will choke us.’ Audre Lorde erkent de relatie tussen stilte en angst, maar ‘your silence will not protect you.’ Roland Barthes spreekt over de ‘strategische waarde van stilte’ en de kwaliteiten van toe-eigening die inherent zijn aan taal: ‘to speak, and, with even greater reason, to utter a discourse is not, … to communicate; it is to subjugate.’ Maar kan stilte ook strategisch gebruikt worden zonder de structuren van de taal aan te wenden? 

Als we ons onthouden van spreken of handelen, of ons onttrekken aan een publiek, is dit tevens een sociaal en politiek gebaar. De dichter Édouard Glissant propageert in Poétique de la relation (1990) het recht op ondoorzichtigheid. In hoeverre ideeën duidelijk overkomen hangt af van het kenniskader waarin ze gesitueerd zijn. Het recht op ondoorzichtigheid staat voor Glissant gelijk aan het ondermijnen van een universeel, westers gedefinieerd concept van de mensheid. Gayatri Chakravorty Spivak’s beroemde vraag of de subaltern kan spreken of in een stilzwijgen gehuld blijft, gaat uiteindelijk ook over de grenzen van een (transparant) discours. Re-presenteren door te spreken betekent het toetreden tot de systemen van betekenis die de toestand van subalterniteit onherroepelijk verstoren. Zwijgen blijkt onvermijdelijk.

Inherent aan het definiëren en omkaderen van stilte ligt een tegenstelling, door Thomas Gould als volgt onder woorden gebracht: ‘if silence is clarity, then language is obfuscation. How does one write about silence without writing away from silence?’ Taal is essentieel in onze dialoog over stilte, maar tegelijkertijd ontkomen we er niet aan dat die dialoog daardoor wordt gedefinieerd ‘merely by what it is not.’ Het werk 4.33 (1952) van John Cage toont hoe onze perceptie van stilte in direct verband staat met het kaderen ervan, en diens tegenstelling: geluid. In zijn Lecture on Nothing (1973), schrijft Cage, ‘I have nothing to say and I am saying it.’ Ook Susan Sontag wijst ons hierop wanneer ze zegt ‘Silence remains, inescapably, a form of speech, and an element of dialogue.’ 

Stilte in kunstwerken kan gebruikt worden om het publiek een andere manier van luisteren en kijken aan te reiken. In haar essay over de ruimte van empathie in relatie tot de stem van de kunstenaar, toont Candela Delgado Marín ons hoe stilte ruimte kan laten voor ‘the audience’s agency to fill in the gaps that they (the artist) left unexplained.’ Deze ruimte biedt de mogelijkheid tot een andere verstandhouding met het werk: ‘where there are gaps, the spectator might ponder.’ Zo worden galeries en musea potentiële plaatsen waar kunstenaars stilte een stem kunnen geven, en waar bezoekers blootgesteld worden aan deze stilte, en de ruimte die daaruit voortkomt op een nieuwe manier kunnen waarderen. Het openstellen voor  de stiltes van wat we (nog) niet begrijpen vormt wellicht de basis van de toenadering die kunst zijn transformerende kracht geeft. Zoals Sontag zei, ‘what’s envisaged is nothing less than the liberation of the artist from himself, of art from the particular artwork, of art from history, of spirit from matter, of the mind from its perceptual and spiritual limitations.’ 

Want wat betekent het precies om stil te zijn, of te staan? Betekent dat om niets te zeggen, te zwijgen, terwijl er wel gesproken zou moeten worden? Geeft stilstand het ontbreken van positieve veranderingen aan – of is stilstand juist een vooruitgang binnen een systeem waar alles steeds sneller moet? Is ‘stil’ simpelweg het ontbreken van geluid of beweging? Maar als stilte alleen maar aangeduid kan worden door wat er ‘ontbreekt,’ hoe kan er dan zoveel betekenis in schuilgaan? Een stilte die valt in een gesprek zegt alles; stiltes in verhalen – de dingen die ontbreken en niet verteld worden – vertellen mee.   

Denk met ons mee over STIL (TE) en schrijf een artikel van 1.000, 1.400 of 1.800 woorden voor ons komende nummer. De deadline voor de eerste versies is op 17 januari 2021. Schrijf je liever een column, interview, fictie of poëzie, of ken je een kunstenaar wiens werk in dit thema ligt? Email naar info@simulacrum.nl. Voeg artikelen s.v.p. bij als .doc of .docx en portfolio’s als .pdf.

EN 

The city was silent, more so than it had been in years. Spring in Amsterdam, but no tourists to swarm its center. Cities, motorways, networks of travel and transportation, shops and streets emptied out by a pandemic that has been taking hold of our society since march 2020. Despite the misery of the situation, the silence brought about by a lockdown could also be experienced as something positive. Positive, of course, for those in privilege; yet many admit, albeit apologetically, that the quiet that ensued was welcome. Beyond the fear of disease, of economic crisis, and the future, people found relief in not having to go anywhere or do anything, quietly desperate for less movement, mayhem and noise. 

These days, are we not lacking a lack of noise, movement, activity and space? Silence is experienced primarily as negative in a system that revolves around always achieving the next best thing. The mentality of ‘continuous functioning’ is defined by Jonathan Crary as the 24/7 regime, ‘a static redundancy that disavows its relation to the rhythmic and periodic textures of human life.’ Without succumbing to readymade new-age slogans of ‘finding a moment for yourself’ – usually with the undertone of buying something that will immediately fulfill your aspired emptiness – a little more silence to counter the risk of burning out before our teens might not be a bad idea.  

Retreats offer us a step out of society’s continuous noise and demands; yet also makes it into a commodity to again be used. Bought silence is valued as something positive, while an unwanted silence is experienced as awkward or bad. Media fill up the silence, but also originate from a fear of it; new forms of media, such as podcasts, capitalise on this horror vacui. A silence that falls confronts us with emptiness, loneliness and uncertainty. 

While silence can be confronting, artistic creation often springs from it. Minimalist Agnes Martin intended to create a wordless and silent experience with her work, for which she believed loneliness formed the perfect situation. In 1967, she decided to leave the New York art scene and retreated to the desert; without electricity or phone, disconnected from society. This period of loneliness resulted in a significant shift within her artistic practice. The relation between the need to withdraw and the creation of art has resulted in the myth of the artist as hermit, reinforcing the idea that art is created in solitude and silence. This text, as well as the text that you might end up writing, are results of this silence. 

Silence can become the suffocation of that which we do not (yet) know how to say; or, of that which has not found its accepted space. ‘While we wait in silence for that final luxury of fearlessness, the weight of that silence will choke us.’ Audre Lorde recognises silence’s relation to fear, yet also states ‘your silence will not protect you.’ Roland Barthes has examined the ‘strategic value of silence’ and the qualities of appropriation inherent to language, explaining that ‘to speak, and, with even greater reason, to utter a discourse is not, … to communicate; it is to subjugate.’ But how to use silence strategically without employing the structures of language?

As Susan Sontag has also pointed out, in refraining from speech, action or withdrawing oneself from an audience, ‘one cannot fail to perceive a highly social and political gesture.’ The poet Édouard Glissant propagates the right to opacity in Poetics of Relation. The extent to which ideas appear with clarity depends on the framework of knowledge in which they are situated. The right to opacity is, according to Glissant, necessary to undermine a universally, western defined concept of humanity. Gayatri Chakravorty Spivak’s famous question, if the subaltern can speak or is destined to remain enveloped in silence, eventually also deals with the boundaries of a (transparent) discourse. Re-presentation through speaking means entering into the systems of knowledge production that inherently distort the condition of subalternity. Silence appears inevitable. 

There is an inherent paradox in defining and framing silence. Thomas Gould puts it thus, ‘if silence is clarity, then language is obfuscation. How does one write about silence without writing away from silence?’ Language might be essential in our dialogue about silence, yet ends up defining that dialogue ‘merely by what it is not’. John Cage’s 4.33 (1952) shows how our perception of silence is directly linked to its framing, and our perception of its counterpart: noise. In his Lecture on Nothing, Cage proclaims, ‘I have nothing to say and I am saying it.’ Also Sontag draws our attention to this dichotomy, when she says ‘silence remains, inescapably, a form of speech, and an element of dialogue.’

The use of silence in art can be seen as a tool to guide the audience to different ways of seeing. As Candela Delgado Marin points out in her essay on the space of empathy in relation to voice and quietude, silence can ‘leave room for the audience’s agency to fill in the gaps that they (the artist) have left unexplained.’ Here, space arises for a different way of connecting and understanding: ‘where there are gaps, the spectator might ponder.’ As such, museums and galleries have the potential to become spaces where the artist can voice their silence and audiences can encounter and appreciate this potential. Embracing the silence of what we cannot (yet) understand might be the essence of the transformative power of art. In the words of Sontag, ‘What’s envisaged is nothing less than the liberation of the artist from himself [sic], of art from the particular artwork, of art from history, of spirit from matter, of the mind from its perceptual and spiritual limitations.’

What does silence, or stillness mean? Is it refraining from speech, while we remain desperate to talk? Is it a lack of movement, change – or could it also give us space in a system that obsesses itself with speed and gain? Can silence or stillness be defined beyond what it ‘lacks’ – and how can it then come to mean so much? A silence that falls in conversation can say more than what is said; so how does the unspoken tell us another story altogether?

Think with us about silences for our upcoming issue STIL (NESS) and write an article of 1.000, 1.400, or 1.800 words. The deadline for first drafts is January 17th, 2021. Would you rather write a column, an interview, fiction, poetry, or do you know an artist whose work fits within this theme? Email us at info@simulacrum.nl. Please send articles as .doc or .docx and portfolio’s as .pdf.